Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof het verweer dat verzoeker geld heeft geleend en er geen sprake is geweest van een gift van € 20.000,- op onbegrijpelijke wijze als niet aannemelijk terzijde heeft geschoven.
“I.
“B.2.2.
B.2.3.1
B.2.3.2
B.2.3.3
B.2.4
B.2.5.1
B.2.5.2
B.2.6
B.2.6
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met zijn ambtsplicht, zoals onder I bewezenverklaard.
“C.1
C.2
C.3
derde middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Dit middel is terecht voorgesteld. Namens verzoeker is op 4 januari 2013 beroep in cassatie ingesteld. Het dossier is blijkens de op de stukken geplaatste stempel bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen op 12 maart 2014, zodat de termijn waarbinnen de stukken bij de Hoge Raad hadden moeten zijn binnengekomen is overschreden met ruim zes maanden. Voortvarende behandeling van de zaak, te weten een uitspraak binnen zestien maanden na het instellen van het beroep in cassatie, kan de overschrijding van de inzendingstermijn niet meer compenseren. Een en ander moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf.