Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
19 mei 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte verworpen. Het betrof een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.
De Hoge Raad constateert ambtshalve dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Ondanks deze overschrijding ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan dit oordeel rechtsgevolgen te verbinden, gelet op de korte duur van de opgelegde straf en de mate van de termijnoverschrijding.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgt dit advies. De uitspraak is gedaan door een kamer bestaande uit drie raadsheren onder voorzitterschap van H.A.G. Splinter-van Kan. De zaak betreft een belangrijke bevestiging van de toepassing van artikel 81 RO Pro in relatie tot de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolgen.