Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het oordeel van het Hof dat verzoeker geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het op 29 november 2005 aangetroffen bedrag van € 216.800,- heeft genoemd onjuist is, gelet op hetgeen door en namens verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep over de legale herkomst van dat geldbedrag is aangevoerd.
tweede middelklaagt over het oordeel van het Hof dat het aangetroffen geld afkomstig is van een misdrijf dat
nietdoor verzoeker is gepleegd.
derde middelkeert zich tegen de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 216.800,-.