Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
19 mei 2015.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Advocaat-Generaal adviseerde tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak met vermindering van het ontnemingsbedrag en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Deze termijnoverschrijding leidde tot vermindering van de betalingsverplichting van €138.000 naar €133.000. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag en verwierp het beroep voor het overige. De uitspraak werd op 19 mei 2015 gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag van €138.000 naar €133.000 wegens redelijke termijnoverschrijding en verwerpt het beroep voor het overige.