ECLI:NL:PHR:2015:441
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ontnemingsmaatregel bij aannemen giften door bankmedewerker
In deze zaak heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest van 21 december 2012 het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene vastgesteld op €240.230,20 en hem verplicht tot betaling van €138.000 aan de Staat. Betrokkene stelde cassatie in met twee klachten: dat het hof het voordeel mede baseerde op strafbare feiten waarvoor hij was vrijgesproken, en dat de berekening van het voordeel uitsluitend op zijn verklaringen was gebaseerd zonder een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO).
De Hoge Raad overwoog dat het voordeel was gebaseerd op het gronddelict van het aannemen van giften (art. 328ter Sr), een feit waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en dat dit niet hetzelfde strafbare feit was waarvoor betrokkene in de hoofdzaak was veroordeeld. Dit is toegestaan onder art. 36e, tweede lid (oud) Sr, mits voldoende aanwijzingen aanwezig zijn. Daarnaast wees de Hoge Raad het standpunt af dat een SFO verplicht is voor het opleggen van een ontnemingsmaatregel, en constateerde dat er in deze zaak wel degelijk een financieel onderzoek was uitgevoerd.
De Hoge Raad stelde vast dat de klacht faalt en wees het beroep af. Wel constateerde de Raad een redelijke termijnoverschrijding in de cassatiefase, wat aanleiding geeft tot vermindering van het ontnemingsbedrag. De uitspraak werd vernietigd voor zover het ontnemingsbedrag betreft, met de mogelijkheid tot vermindering door de Hoge Raad. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, maar de Hoge Raad vernietigt het ontnemingsbedrag wegens redelijke termijnoverschrijding en kan dit verminderen.