Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vraag of erfgenamen de nalatenschap van een overledene zuiver hebben aanvaard door handelingen die verband houden met de uitvaart. De erfgenamen hadden de nalatenschap beneficiair aanvaard, maar de verweerster stelde dat door het betalen van een gezamenlijke maaltijd op de dag van overlijden en de kosten van een koffietafel de nalatenschap zuiver was aanvaard.
De kantonrechter wees de vordering af, maar het hof oordeelde dat deze handelingen wel duidden op zuivere aanvaarding. De Hoge Raad herzag dit oordeel en stelde dat kosten die redelijkerwijs zijn gemaakt voor een passende uitvaart, waaronder een maaltijd op de sterfdag, niet kunnen worden gezien als een daad van zuivere aanvaarding volgens art. 4:192 lid 1 BW Pro en art. 1095 oud Pro BW.
De Hoge Raad benadrukte dat het antwoord op de vraag of sprake is van een daad van zuivere aanvaarding afhangt van de omstandigheden van het geval en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de context waarin de maaltijd werd genuttigd. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarmee de vordering van de verweerster werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat betaling van redelijke uitvaartkosten geen stilzwijgende zuivere aanvaarding inhoudt en wijst de vordering af.