Uitspraak
Stichting [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 17 oktober 2014, nr. 14/02168, ECLI:NL:HR:2014:3001.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een arrest van 17 oktober 2014. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Het griffierecht is niet voldaan binnen deze termijn.
Na het verstrijken van de termijn heeft de griffier belanghebbende in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. De door belanghebbende aangevoerde redenen in brieven van 13 en 17 maart 2015 waren niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Nadien ingediende stukken werden door de Hoge Raad niet in overweging genomen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is op 22 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.