Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 5 december 2014, nr. BK-14/00424, betreffende het verzoek om teruggaaf van inkomstenbelasting over het tijdvak 2001 tot en met 2003.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 december 2014, waarin een verzoek om teruggaaf van inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003 werd behandeld.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 22 mei 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans op slagen.