ECLI:NL:HR:2015:1337

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2015
Publicatiedatum
26 mei 2015
Zaaknummer
15/00336
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad wijst aanvraag tot herziening strafzaak af wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de aanvraagster was veroordeeld voor het opzettelijk nalaten van het tijdig verstrekken van gegevens, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag op grond van de wettelijke herzieningsgronden in artikel 457 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De aanvraag betrof met name de gronden dat er onverenigbare bewezenverklaringen zouden zijn en dat er nieuwe feiten of bescheiden zouden zijn die het onderzoek bij de terechtzitting zouden hebben beïnvloed.

De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake was van onverenigbare bewezenverklaringen tussen verschillende onherroepelijke uitspraken. Daarnaast werd geoordeeld dat beslissingen van bestuursrechters en bestuursorganen, die een andere waardering van het bewijsmateriaal bevatten, niet als nieuwe feiten in de zin van de herzieningsgrond kunnen worden aangemerkt.

Daarom werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad, waarbij twee raadsheren niet konden ondertekenen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of onverenigbare bewezenverklaringen.

Uitspraak

26 mei 2015
Strafkamer
nr. 15/00336 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 november 2013, nummer 21/006271-13, ingediend door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1968.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met bevestiging van een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 3 juli 2013 - de aanvraagster ter zake van "in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft voorts kennisgenomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvraag.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder a van art. 457 Sv Pro slechts dienen de omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen die onherroepelijk zijn geworden of bij verstek zijn gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen, en krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
Voor zover de aanvraag ertoe strekt een beroep te doen op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder a, Sv omschreven herzieningsgrond, kan zij niet slagen omdat zich hier niet voordoet het geval dat bij onderscheidene uitspraken bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen.
3.3.
De aanvraag kan evenmin slagen voor zover een beroep wordt gedaan op de in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv omschreven herzieningsgrond. Als een gegeven in de zin van die bepaling kunnen niet dienen beslissingen van - zoals in dit geval - een bestuursrechter en een college van burgemeester en wethouders, indien daaruit blijkt van een andere waardering van het bewijsmateriaal dat ook de strafrechter ter beschikking stond. Dat was onder het voor 1 oktober 2012 geldende recht zo (vgl. HR 4 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB2749, NJ 2008/170) en is nadien niet gewijzigd.
3.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 mei 2015.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.