Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 mei 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 juni 2014, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van moord. Het feitelijke delict betrof het overboord gooien van een Braziliaanse matroos in de Atlantische Oceaan. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de verdediging schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de middelen van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. Dit arrest is gewezen door raadsheer J. de Hullu als voorzitter en raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 26 mei 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.