Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof bij zijn oordeel over de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg ten onrechte is uitgegaan van de datum van de aanhouding van de verdachte als beginpunt.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte bij gelegenheid van het eerste politieverhoor aan de artikelen 6, derde lid, sub c, EVRM en 14, derde lid, sub d, IVBPR geen recht op rechtsbijstand van een raadsman heeft kunnen ontlenen.
derde middelklaagt over de verwerping van het standpunt van de verdediging dat “de matroos” overboord is gegaan op een moment waarop hij zwemmend de kant zou kunnen bereiken.
vierde middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering tekort schiet vanwege een ‘gat in de bewijsvoering’.
vijfde middelstrekt ten betoge dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is. Uit de combinatie van de aanhef en de toelichting op het middel begrijp ik dat het middel zich keert tegen de vaststelling van het hof dat Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde diefstal. Deze gevolgtrekking zou niet te rijmen zijn met de vaststelling van het hof dat [slachtoffer] op volle zee van boord is gegaan. Het middel klaagt niet over het oordeel van het hof dat Nederland ook ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit rechtsmacht heeft.
zesde middelklaagt dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 341, derde lid, Sv voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte].