Belanghebbende, een gemeente, stelde in 1998 een krediet beschikbaar aan een stichting voor de bouw van een school. Na aanvang van de bouw en toen deze voor 80% gereed was, wijzigde belanghebbende de juridische structuur met het oog op het besparen van btw. De bouwheerschap werd met terugwerkende kracht aan belanghebbende overgedragen en de school werd verkocht aan de stichting tegen een prijs aanzienlijk lager dan de bouwkosten.
De Inspecteur weigerde de teruggaaf van de omzetbelasting die belanghebbende had opgevoerd. Het Hof oordeelde dat sprake was van misbruik van recht omdat de wijziging van structuur uitsluitend was bedoeld om btw-voordeel te behalen zonder dat de feitelijke omstandigheden veranderden. Het Hof hield geen rekening met de overdrachtsbelasting die de stichting had betaald, omdat die voor rekening van een ander was.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof over misbruik van recht en oordeelde dat bij herdefiniëring van de transacties ook rekening moet worden gehouden met de overdrachtsbelasting die belanghebbende heeft vergoed. De uitspraak van het Hof werd vernietigd en de teruggaaf omzetbelasting werd verminderd met de overdrachtsbelasting. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.