Belanghebbende, werkgever van politieagenten, had een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd gekregen over een voordeel dat ontstond doordat agenten een rechterlijk toegekende vergoeding wegens immateriële schade aan hem cederen tegen betaling van de nominale waarde. Het geschil betrof de vraag of dit voordeel als loon moest worden belast of als een vrije vergoeding kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dat het voordeel niet als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 moet worden gezien, omdat de rechtspositionele regeling ertoe strekt de agenten onbelemmerd te laten functioneren in het publieke belang. Het voordeel dient vooral de publieke dienstverlening en wordt maatschappelijk niet als beloning ervaren.
De uitspraak van het Hof werd vernietigd en de naheffingsaanslag werd vernietigd. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris en de Inspecteur in de proceskosten. Hiermee werd duidelijkheid verschaft over de fiscale behandeling van dergelijke vergoedingen en de toepassing van het BARP in relatie tot de loonbelasting.