Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 juni 2015.
Hoge Raad
In deze militaire strafzaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk was in de vervolging van verdachte wegens het zogenoemde 'zelfde feit' zoals bedoeld in artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Verdachte werd eerder vrijgesproken van feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr Pro) en het OM startte een nieuwe procedure met een tenlastelegging gericht op het maken van geheime opnamen (art. 139f Sr).
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het OM niet-ontvankelijk was omdat het om hetzelfde feit zou gaan, gelet op de identieke gedragingen en de strekking van de delictsomschrijvingen. De Hoge Raad herhaalt echter de relevante jurisprudentie en benadrukt dat het verschil in beschermde rechtsgoederen en strafmaxima tussen art. 139f Sr (bescherming persoonlijke levenssfeer) en art. 246 Sr Pro (bescherming seksuele integriteit) zo groot is dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat het OM wel ontvankelijk is in de vervolging van het feit als bedoeld in art. 139f Sr, ondanks de eerdere vrijspraak op grond van art. 246 Sr Pro.
Deze uitspraak onderstreept het belang van een zorgvuldige toetsing van het begrip 'zelfde feit' bij vervolgingen en benadrukt de verschillen in rechtsbescherming en strafrechtelijke kwalificaties tussen verschillende delicten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onjuiste toepassing van art. 68 Sr.