ECLI:NL:PHR:2015:797
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over het begrip 'hetzelfde feit' bij heimelijke opnamen en dwingen tot ontucht
In deze militaire strafzaak stond de vraag centraal of het maken van heimelijke opnamen met een technisch hulpmiddel en het dwingen tot ontucht hetzelfde feit zijn in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was eerder vrijgesproken van feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr Pro) in een zaak waarin ook een subsidiaire tenlastelegging op grond van art. 139f Sr (heimelijke opnamen) was gedaan. Later werd hij vervolgd voor het maken van heimelijke opnamen (art. 139f Sr) in een nieuwe procedure.
Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk omdat het volgens het hof om hetzelfde feit ging, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had. De Hoge Raad benadrukte dat de strafbaarstellingen van art. 246 Sr Pro en art. 139f Sr verschillende rechtsgoederen beschermen: respectievelijk de seksuele integriteit en de persoonlijke levenssfeer. Ook de strafmaxima verschillen aanzienlijk. Dit verschil in juridische aard en strafbedreiging leidt ertoe dat geen sprake is van hetzelfde feit.
De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het onderscheid tussen deze delicten was toegelicht en benadrukte dat het maken van heimelijke opnamen geen ontuchtige handeling is en dat dwingen tot ontucht doorgaans lichamelijk contact vereist. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting, waarbij het hof de juiste toets moet toepassen op de vraag of sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting vanwege onjuiste toepassing van artikel 68 Sr.