In deze zaak stond de vraag centraal of de inspecteur bevoegd was om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op te leggen aan belanghebbende over het jaar 2000, waarbij sprake was van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoorden en een aandelenfusiefaciliteit. Na verwijzing door de Hoge Raad was het Gerechtshof Amsterdam tot het oordeel gekomen dat sprake was van soortaandelen en dat belanghebbende in 2000 aandelen had vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de inspecteur niet bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Dit middel werd verworpen op basis van de conclusies van de Advocaat-Generaal en eerdere arresten van de Hoge Raad. De overige middelen werden eveneens afgewezen zonder nadere motivering, omdat deze niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten. Hiermee werd het oordeel van het Hof bevestigd dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd en dat de inspecteur bevoegd was in deze kwestie van aandelenfusiefaciliteit.