Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1464

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2015
Publicatiedatum
3 juni 2015
Zaaknummer
13/05026
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14b Wet IB 1964Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid inspecteur bij navorderingsaanslag aandelenfusie

In deze zaak stond de vraag centraal of de inspecteur bevoegd was om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op te leggen aan belanghebbende over het jaar 2000, waarbij sprake was van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoorden en een aandelenfusiefaciliteit. Na verwijzing door de Hoge Raad was het Gerechtshof Amsterdam tot het oordeel gekomen dat sprake was van soortaandelen en dat belanghebbende in 2000 aandelen had vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden.

Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat de inspecteur niet bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Dit middel werd verworpen op basis van de conclusies van de Advocaat-Generaal en eerdere arresten van de Hoge Raad. De overige middelen werden eveneens afgewezen zonder nadere motivering, omdat deze niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten. Hiermee werd het oordeel van het Hof bevestigd dat de navorderingsaanslag terecht was opgelegd en dat de inspecteur bevoegd was in deze kwestie van aandelenfusiefaciliteit.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ongegrond verklaard en de inspecteur is bevoegd bevonden tot het opleggen van de navorderingsaanslag.

Uitspraak

5 juni 2015
nr. 13/05026
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X6]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 12 september 2013, nr. 11/00969, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011, nr. 10/00610, ECLI:NL:HR:2011:BU8233, BNB 2012/80, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Asbreuk, advocaat te Rotterdam.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 oktober 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.1.
Na verwijzing door de Hoge Raad is het Hof ervan uitgegaan dat sprake is van soortaandelen en dat belanghebbende in 2000 aandelen heeft vervreemd die tot een aanmerkelijk belang behoorden. Hiertegen richt zich middel 1.
3.1.2.
Het hiervoor in 3.1.1 vermelde uitgangspunt van het Hof is juist. Het middel faalt derhalve.
3.2.
Middel 4 betoogt dat de Inspecteur die de navorderingsaanslag heeft opgelegd, daartoe niet bevoegd was. Het middel faalt reeds op de gronden vermeld in de onderdelen 6.7 tot en met 6.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.3.
Middel 5 faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 13/05027 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.
3.4.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.