ECLI:NL:HR:2011:BU8233
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over soortaandelen bij aanmerkelijk belang in inkomstenbelasting
Belanghebbende was aandeelhouder van een besloten vennootschap die haar aandelen had gesplitst in gewone aandelen A en converteerbare preferente aandelen B. Bij verkoop van deze aandelen aan een beursgenoteerd bedrijf werd geen vervreemdingsvoordeel in de aangifte opgenomen. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op, waarbij het voordeel als winst uit aanmerkelijk belang werd beschouwd.
De rechtbank en het hof verklaarden de navorderingsaanslag onterecht omdat zij oordeelden dat de aandelen tot één soort behoorden volgens artikel 20a, lid 3, Wet IB 1964. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat aandelen die verschillen in stemrecht over kwesties als dividenduitkering en vermogenspositie niet tot dezelfde soort behoren, omdat deze verschillen niet onder de wettelijke uitzondering vallen.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling van onbehandelde geschilpunten. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest verduidelijkt de interpretatie van het begrip 'soort aandelen' in de context van de aanmerkelijk belangregeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met inachtneming van de uitleg dat aandelen A en B niet tot dezelfde soort behoren.