Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 7 oktober 2014, nrs. AWB 14/582 en 14/583, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 20 maart 2014.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland en eerdere uitspraken in verzet. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hierdoor is het cassatieberoep niet inhoudelijk behandeld.
Het arrest is op 5 juni 2015 door de Hoge Raad gewezen, waarbij de raadsheer C. Schaap als voorzitter en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld het arrest hebben uitgesproken in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.