Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
5 juni 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker beoordeeld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en heeft het standpunt van de Procureur-Generaal betrokken in de beoordeling. De klachten van verzoeker zijn onderzocht op ontvankelijkheid en inhoudelijke gronden.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten onvoldoende belang hebben of klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, waarna het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De uitspraak is gedaan door de raadsheren Streefkerk, Drion en Tanja-van den Broek en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot op 5 juni 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.