Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin verdachte werd vrijgesproken van het niet inschrijven van zijn leerplichtige dochter op een school. Verdachte had een beroep gedaan op vrijstelling van de inschrijfplicht op grond van artikel 5, sub b, van de Leerplichtwet 1969, vanwege richtingsbezwaren tegen scholen binnen redelijke afstand en praktische bezwaren door een gewijzigde gezinssituatie.
Het hof oordeelde dat de vrijstelling terecht was toegekend omdat de dochter niet op een school binnen redelijke afstand was ingeschreven en de bezwaren zich richtten op de afstand tot de school, niet op de richting van het onderwijs. De Hoge Raad bevestigt dat het stelsel van de Leerplichtwet in beginsel niet toestaat na de eerste leerplichtperiode een vrijstelling te verkrijgen, maar erkent uitzonderingen bij veranderde omstandigheden van prangende aard zoals verhuizing of sluiting van een school.
De Hoge Raad stelt dat de praktische bezwaren van verdachte, waaronder de reisafstand en gewijzigde gezinssamenstelling, een dergelijke uitzondering vormen. De vrijstelling is daarom rechtsgeldig tot stand gekomen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijstelling van inschrijfplicht wegens veranderde omstandigheden en richtingsbezwaren en verwerpt het cassatieberoep.