Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1546

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
11 juni 2015
Zaaknummer
14/04067
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, lid 4, AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over voortvarendheid bij navorderingsaanslag en verwijst zaak terug

De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2001 opgelegd aan belanghebbende in het kader van het project Bank Zonder Naam. De Rechtbank Haarlem vernietigde de aanslag en bijbehorende beschikkingen wegens het ontbreken van voortvarendheid bij de belastingheffing, een oordeel dat het Hof Amsterdam bevestigde.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof, met als kern dat het Hof ten onrechte oordeelde dat niet voortvarend was gehandeld. De Hoge Raad sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en vernietigt het arrest van het Hof, omdat het oordeel over voortvarendheid niet stand kan houden.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling van de nog openstaande geschilpunten, waaronder de hoogte van de navorderingsaanslag. Belanghebbende krijgt de mogelijkheid om na verwijzing opening van zaken te geven over de verzwegen inkomsten en mag daartoe relevante gegevens overleggen.

Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en laat de beoordeling van eventuele kostenvergoedingen over aan het verwijzingshof.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

Uitspraak

12 juni 2015
Nr. 14/04067
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 3 juli 2014, nr. 12/00798, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/485) betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. In het incidentele beroep heeft hij schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek en in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

2.1.
De bestreden navorderingsaanslag en de daarbij genomen beschikkingen houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag en de beschikkingen worden vernietigd omdat in het kader van dit project niet de voortvarendheid in acht is genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, is vereist. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Daartegen richt zich het middel.
2.3.
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, V‑N 2015/23.4.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de overige tussen partijen bestaande geschilpunten die nog niet behandeld zijn.

3.Beoordeling van het incidentele beroep in cassatie

3.1.
Aangezien het principale beroep gegrond is, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld.
3.2.
In het incidentele beroep in cassatie wordt niet opgekomen tegen een door het Hof gegeven oordeel. Dat beroep is daarom ongegrond.
3.3.
De Hoge Raad vindt wel aanleiding om in te gaan op het in het incidentele beroep in cassatie gedane verzoek om na de verwijzing opening van zaken te mogen geven omtrent de hoogte van de verzwegen inkomsten. Volgens dat verzoek is opening van zaken gegeven in de procedure over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen die niet met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd.
3.4.
Blijkens de gedingstukken heeft het Hof de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak beperkt tot het geschil rond de vereiste voortvarendheid. ’s Hofs oordeel op dat punt bracht mee dat het in hoger beroep aan de orde zijnde geschil rond de hoogte van de navorderingsaanslag niet is behandeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende in het debat van partijen voor het Hof de gelegenheid onbenut heeft gelaten om haar stellingen aangaande de hoogte van het na te vorderen bedrag aan te vullen. Het staat haar daarom vrij om in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Daartoe mogen ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) worden overgelegd.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.