De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2001 opgelegd aan belanghebbende in het kader van het project Bank Zonder Naam. De Rechtbank Haarlem vernietigde de aanslag en bijbehorende beschikkingen wegens het ontbreken van voortvarendheid bij de belastingheffing, een oordeel dat het Hof Amsterdam bevestigde.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof, met als kern dat het Hof ten onrechte oordeelde dat niet voortvarend was gehandeld. De Hoge Raad sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie en vernietigt het arrest van het Hof, omdat het oordeel over voortvarendheid niet stand kan houden.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling van de nog openstaande geschilpunten, waaronder de hoogte van de navorderingsaanslag. Belanghebbende krijgt de mogelijkheid om na verwijzing opening van zaken te geven over de verzwegen inkomsten en mag daartoe relevante gegevens overleggen.
Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en laat de beoordeling van eventuele kostenvergoedingen over aan het verwijzingshof.