ECLI:NL:HR:2015:1554

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
11 juni 2015
Zaaknummer
14/04055
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, lid 4, AWR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak over voortvarendheid bij navorderingsaanslagen Bank Zonder Naam

De zaak betreft navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting opgelegd aan de erven van een belastingplichtige in het kader van het project Bank Zonder Naam. Het hof had de aanslagen vernietigd omdat de inspecteur niet voortvarend zou hebben gehandeld, zoals vereist volgens eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte het gebrek aan voortvarendheid heeft vastgesteld en vernietigt het arrest. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor verdere behandeling van de overige geschilpunten, waaronder de hoogte van de navorderingsaanslagen.

Het incidentele beroep van belanghebbenden wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad geeft aan dat belanghebbenden na verwijzing alsnog de mogelijkheid hebben om gegevens over verzwegen inkomsten aan te voeren. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken; het verwijzingshof zal beslissen over eventuele kostenvergoedingen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 12 juni 2015 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

12 juni 2015
Nr. 14/04055
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 3 juli 2014, nrs. 12/01029 en 12/01030, op de hoger beroepen van
de erven [X], gewoond hebbende te
[Z](hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/5957 en 11/5958) betreffende de aan erflater over het jaar 1995 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. Zij hebben tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. In het incidentele beroep heeft hij schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht.
Belanghebbenden hebben in het incidentele beroep een conclusie van repliek en in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

2.1.
De bestreden navorderingsaanslagen en de daarbij genomen beschikkingen houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslagen en de beschikkingen worden vernietigd omdat de Inspecteur niet de voortvarendheid in acht heeft genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, is vereist. Daartegen richt zich het middel.
2.3.
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, V‑N 2015/23.4.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de overige tussen partijen bestaande geschilpunten die nog niet behandeld zijn.

3.Beoordeling van het incidentele beroep in cassatie

3.1.
Aangezien het principale beroep gegrond is, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld.
3.2.
In het incidentele beroep in cassatie wordt niet opgekomen tegen een door het Hof gegeven oordeel. Dat beroep is daarom ongegrond.
3.3.
De Hoge Raad vindt wel aanleiding om in te gaan op het in het incidentele beroep in cassatie gedane verzoek om na de verwijzing opening van zaken te mogen geven omtrent de hoogte van de verzwegen inkomsten. Volgens dat verzoek is opening van zaken gegeven in de procedure over de aan erflater opgelegde navorderingsaanslagen die niet met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd.
3.4.
Blijkens de gedingstukken heeft het Hof de mondelinge behandeling van de onderhavige zaken beperkt tot het geschil rond de vereiste voortvarendheid. ’s Hofs oordeel op dat punt bracht mee dat het in hoger beroep aan de orde zijnde geschil rond de hoogte van de navorderingsaanslagen niet is behandeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbenden in het debat van partijen voor het Hof de gelegenheid onbenut hebben gelaten om hun stellingen aangaande de hoogte van het na te vorderen bedrag aan te vullen. Het staat hun daarom vrij om in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Daartoe mogen ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) worden overgelegd.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbenden voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.