Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2015:1565

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2015
Publicatiedatum
11 juni 2015
Zaaknummer
14/04066
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 4 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over voortvarendheid bij navorderingsaanslagen in project Bank Zonder Naam

De zaak betreft navorderingsaanslagen in de inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2001, opgelegd aan belanghebbende in het kader van het project Bank Zonder Naam. De rechtbank vernietigde deze aanslagen omdat de Inspecteur volgens haar niet voortvarend had gehandeld, een oordeel dat het hof bevestigde.

De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, stellende dat het hof ten onrechte het vereiste van voortvarendheid streng had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het middel gegrond is op basis van een eerder arrest en vernietigde het hofarrest. De zaak werd verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling van de nog openstaande geschilpunten.

Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad gaf tevens aan dat belanghebbende na verwijzing alsnog de gelegenheid krijgt om zijn standpunt over de hoogte van de navorderingsaanslagen te onderbouwen, ook met gebruikmaking van gegevens over verzwegen bankrekeningen.

Tot slot wees de Hoge Raad proceskostenveroordelingen af en liet het aan het verwijzingshof over om te beoordelen of belanghebbende een vergoeding voor eerdere procedures toekomt.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

Uitspraak

12 juni 2015
Nr. 14/04066
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 3 juli 2014, nrs. 12/00799 tot en met 12/00804, 12/00809 en 12/00810, op de hoger beroepen van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 10/486 en 10/487, 11/6001 tot en met 11/6004, 11/6012 en 11/6013) betreffende de aan
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) over de jaren 1997 tot en met 2001 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1998 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging of boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. In het incidentele beroep heeft hij schriftelijk zijn zienswijze naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek en in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

2.1.
De bestreden navorderingsaanslagen en de daarbij genomen beschikkingen houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslagen en de beschikkingen worden vernietigd omdat de Inspecteur niet de voortvarendheid in acht heeft genomen die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, is vereist. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Daartegen richt zich het middel.
2.3.
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105, V‑N 2015/23.4.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van de overige tussen partijen bestaande geschilpunten die nog niet behandeld zijn.

3.Beoordeling van het incidentele beroep in cassatie

3.1.
Aangezien het principale beroep gegrond is, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld.
3.2.
In het incidentele beroep in cassatie wordt niet opgekomen tegen een door het Hof gegeven oordeel. Dat beroep is daarom ongegrond.
3.3.
De Hoge Raad vindt wel aanleiding om in te gaan op het in het incidentele beroep in cassatie gedane verzoek om na de verwijzing opening van zaken te mogen geven omtrent de hoogte van de verzwegen inkomsten. Volgens dat verzoek is opening van zaken gegeven in de procedure over de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen die niet met toepassing van de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd.
3.4.
Blijkens de gedingstukken heeft het Hof de mondelinge behandeling van de onderhavige zaken beperkt tot het geschil rond de vereiste voortvarendheid. ’s Hofs oordeel op dat punt bracht mee dat het in hoger beroep aan de orde zijnde geschil rond de hoogte van de navorderingsaanslagen niet is behandeld. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat belanghebbende in het debat van partijen voor het Hof de gelegenheid onbenut heeft gelaten om zijn stellingen aangaande de hoogte van het na te vorderen bedrag aan te vullen. Het staat hem daarom vrij om in het geding na verwijzing overtuigend aan te tonen dat de bestreden navorderingsaanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Daartoe mogen ook gegevens van de verzwegen bankrekening(en) worden overgelegd.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.