Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
16 juni 2015.
Hoge Raad
Op 16 juni 2015 heeft de Hoge Raad der Nederlanden uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroep was ingesteld door verdachte en werd ondersteund door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht. De Advocaat-Generaal bracht naar voren dat het beroep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) niet-ontvankelijk verklaard kon worden.
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a RO en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, samen met raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in aanwezigheid van de waarnemend griffier S.C. Rusche.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.