Uitspraak
gevestigd te ’s-Gravenhage,
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De kantonrechter heeft onder ogen gezien dat van een arbeidsovereenkomst tussen partijen geen sprake meer was toen de brief met het wijzigingsbeding hen bereikte.
De kantonrechter heeft terecht overwogen dat [verweerders] het hun gedane aanbod met betrekking tot prepensioen hebben aanvaard, doch dat het feit dat in dat aanbod stond dat zij bij een aparte brief van de (financiële) gevolgen met betrekking tot de pensionering op de hoogte gesteld zouden worden, niet betekent dat eisers zich door ondertekening van die eerste brief tevens akkoord hebben verklaard met het wijzigingsbeding in de tweede brief. Het gaat derhalve – aldus nog steeds de kantonrechter – om een eenzijdige wijziging van de voorwaarden, zodat moet worden getoetst of Aegon daartoe aanleiding heeft kunnen vinden, of haar voorstel redelijk is en of aanvaarding van dat voorstel – in het licht van de omstandigheden van het geval – in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. De kantonrechter heeft aldus, naar het oordeel van het hof terecht, het door de Hoge Raad in zijn arrest Mammoet/[A] (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847) geformuleerde toetsingskader gehanteerd. (rov. 4.4) De nieuwe stelling van Aegon, erop neerkomend dat [verweerders] door niet (afwijzend) op de tweede brief te reageren zich (stilzwijgend) hebben gebonden aan het wijzigingsbeding, wordt door het hof gepasseerd. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – kan het enkele stilzwijgen van [verweerders] in de gegeven omstandigheden niet meebrengen dat Aegon er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [verweerders] instemden met het wijzigingsbeding. (rov. 4.5)
4.Beslissing
26 juni 2015.