Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
30 juni 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Bosnië en Herzegovina vanwege betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven in juni 1992 tijdens de gewapende conflicten in voormalig Joegoslavië.
De opgeëiste persoon stelde in cassatie onder meer dat het legaliteitsbeginsel was geschonden en dat er geen effectief rechtsmiddel beschikbaar zou zijn na uitlevering. De Rechtbank Den Haag had geoordeeld dat de openbaar aanklager na uitlevering over een effectief rechtsmiddel beschikt op grond van artikel 13 EVRM Pro, mede gelet op de rechtspraak van het Constitutioneel Hof van Bosnië en Herzegovina.
De Hoge Raad volgde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hiermee werd het uitleveringsverzoek bevestigd en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Bosnië en Herzegovina wordt bevestigd.