Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aanstonds mocht voortzetten na een wijziging van de tenlastelegging, terwijl de verdachte verstek liet en niet van de wijziging op de hoogte werd gesteld. De tenlastelegging werd gewijzigd door de delictsperiode aan te passen. De verdachte was eerder door de politierechter vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheid over de exacte pleegdatum.
Het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte en stond de wijziging van de tenlastelegging toe. Het vervolgde het onderzoek zonder de verdachte opnieuw te informeren over deze wijziging, omdat de wijziging naar het oordeel van het hof van ondergeschikte aard was en de verdachte geacht moest worden op voorhand bekend te zijn geweest met de voorgenomen wijziging. Hierdoor werd de verdachte niet in haar verdediging geschaad.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat volgens artikel 314, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, bij verstek het onderzoek op de gewijzigde tenlastelegging aanstonds kan worden voortgezet indien de verdachte door het achterwege laten van kennisgeving van de wijziging redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. De wijziging van de delictsperiode werd als zodanig beoordeeld dat de richting en reikwijdte van het onderzoek niet wezenlijk werden geraakt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtspraak dat een kennisgeving van een wijziging van ondergeschikte aard niet vereist is bij verstek, mits de verdachte niet wordt overvallen en zijn verdedigingsrechten niet worden aangetast.
Uitkomst: Het onderzoek ter terechtzitting kon aanstonds worden voortgezet na wijziging van de tenlastelegging zonder kennisgeving aan de verdachte, omdat deze daardoor niet in haar verdediging werd geschaad.