Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel en het tweede middel
4.Beslissing
7 juli 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld wegens ontuchtige handelingen jegens twee minderjarige meisjes, waaronder zijn eigen dochter. De bewezenverklaring omvatte meerdere keren betasten en wrijven over de borsten en het schaambeen van de slachtoffers.
Het bewijs bestond uit gedetailleerde verklaringen van de slachtoffers, getuigenverklaringen, politieprocessen-verbaal, en WhatsApp-gesprekken die de verklaringen ondersteunden. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende steun vonden in ander bewijsmateriaal en dat beïnvloeding van de slachtoffers mogelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van de slachtoffers elkaar versterkten en voldoende steun vonden in het overige bewijsmateriaal. Het hof had bovendien een betrouwbaarheidsonderzoek laten uitvoeren dat de verklaringen van het eerste slachtoffer als zeer betrouwbaar beoordeelde. De klacht over falende unus testis werd verworpen op grond van art. 342, tweede lid, Sv.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat de toets aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv een zaak van concreet geval is en dat het hof zijn oordeel voldoende had gemotiveerd.
Deze uitspraak bevestigt de zorgvuldige toepassing van het bewijsminimum bij zedenzaken en de waardering van verklaringen van minderjarige slachtoffers in combinatie met ondersteunend bewijs.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij de bewezenverklaring van ontuchtige handelingen jegens twee minderjarige meisjes wordt gehandhaafd.