Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te ’s-Hertogenbosch,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een voorlopige machtiging op grond van artikel 2 van Pro de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) kan worden verleend naast een lopende ISD-maatregel (inrichting voor stelselmatige daders) zoals bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank Oost-Brabant had een voorlopige machtiging verleend voor opname en dwangbehandeling van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, ondanks dat betrokkene reeds onder een ISD-maatregel viel. De rechtbank oordeelde dat deze samenloop mogelijk is omdat de ISD-maatregel geen dwangbehandeling toestaat en de voorlopige machtiging een noodzakelijke aanvulling kan vormen. Dit oordeel werd mede ondersteund door een wetsvoorstel dat art. 51 lid 3 Wet Pro Bopz zou uitbreiden.
De Hoge Raad bevestigde dat een strafrechtelijke machtiging en een civielrechtelijke machtiging naast elkaar kunnen bestaan zonder ongewenste doorkruising, mits duidelijkheid bestaat over de rechtsgrond van de opname. De uitspraak benadrukt dat de situatie afwijkt van eerdere jurisprudentie uit 2003, omdat de voorlopige machtiging hier werd verleend vóór de inwerkingtreding van art. 51 lid 3 Wet Pro Bopz per 1 januari 2015. Het beroep van betrokkene werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een voorlopige machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk is zonder ongewenste doorkruising.