ECLI:NL:HR:2015:185

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2015
Publicatiedatum
30 januari 2015
Zaaknummer
14/00583
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie inzake uitleg aanvullende overeenkomst en onverschuldigde betaling

In deze zaak stond de uitleg van een aanvullende overeenkomst en de vraag of sprake was van onverschuldigde (na)betaling centraal. Eiser stelde dat de overeenkomst anders moest worden uitgelegd en dat hij recht had op terugbetaling. Het gerechtshof Den Haag had het beroep van eiser afgewezen en de rechtbank ’s-Gravenhage had eerder een vergelijkbare uitspraak gedaan.

Eiser stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij hij onder meer een beroep deed op de uitlegregels zoals het Haviltex-criterium en de erkenning van bepaalde feiten. De Hoge Raad heeft het middel van eiser onderzocht maar geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad verwees naar artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en besloot dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

30 januari 2015
Eerste Kamer
14/00583
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
BALLAST NEDAM SIGMA B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Ballast Nedam.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 405596/HA ZA 11-2579 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2012;
b. het arrest in de zaak 200.110.938/01 van het gerechtshof Den Haag van 5 november 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ballast Nedam heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ballast Nedam begroot op € 6.467,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
30 januari 2015.