Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 4 februari 2015, nr. SGR 14/6174 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 25 november 2014.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het cassatieberoep betrof een verzet tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft.
Het arrest is op 14 augustus 2015 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of gegrondheid.