Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
6 februari 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder toekenning van een schone lei centraal, vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de sollicitatie- en inspanningsverplichting door verzoekster.
De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam, waarna het gerechtshof Den Haag het vonnis bevestigde. Verzoekster stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Procureur-Generaal adviseerde niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat verzoekster onvoldoende belang had bij het beroep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee bleef het arrest van het gerechtshof in stand, waarbij de schuldsaneringsregeling werd beëindigd zonder dat verzoekster een schone lei kreeg toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.