Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had het verzoek van de verdediging om getuigen te horen afgewezen omdat de verdediging niet had voldaan aan de voorwaarde dat de te stellen vragen vooraf aan de raadsheer-commissaris moesten worden overgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat deze voorwaarde in strijd is met de wettelijke bepalingen in artikel 186 en Pro 186a van het Wetboek van Strafvordering. De raadsheer-commissaris mag niet het laten plaatsvinden van een getuigenverhoor afhankelijk stellen van het vooraf overleggen van vragen, aangezien dit een onjuiste rechtsopvatting is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting en afdoening van het hoger beroep. Hiermee wordt bevestigd dat het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht van de verdediging niet onnodig mogen worden beperkt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.