Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Echter zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De raadsman van de verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd, maar dit kon niet voorkomen dat het voorschrift niet werd nageleefd.
De Hoge Raad oordeelt dat de niet-naleving van de wettelijke termijn en procedurele vereisten leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 8 september 2015.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet-tijdige indiening van middelen van cassatie.