ECLI:NL:PHR:2015:1370

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
27 juli 2015
Zaaknummer
14/03173
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatieschriftuur

De verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaren en 9 maanden wegens verschillende levensdelicten, verboden wapenbezit en deelname aan een criminele organisatie.

De verdachte stelde beroep in cassatie in op 30 december 2013. Op 16 juli 2014 werd hem persoonlijk een termijn van zestig dagen gesteld om de cassatieschriftuur in te dienen. Deze schriftuur is echter niet tijdig door een raadsman ingediend bij de Hoge Raad.

Daarmee is het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet nageleefd. Dit leidt ertoe dat de verdachte in het cassatieberoep niet kan worden ontvangen, en de conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van cassatieschriftuur.

Conclusie

Nr. 14/03173
Zitting: 2 juni 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens verschillende levensdelicten, verboden wapenbezit en het deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaren en 9 maanden.
Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/01796, 14/03171 en 14/03174. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 30 december 2013.
Op 16 juli 2014 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG