Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal het standpunt innam dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard kan worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het beroep instelde klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien deze overwegingen en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 8 september 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-ontvankelijkheid van de klachten.