Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hem het opzettelijk bezit van cocaïne en MDMA werd bewezen verklaard. Op 28 juli 2012 werd verdachte tijdens een preventieve fouillering in Rotterdam aangehouden toen in zijn auto een grote gripzak met diverse kleinere zakjes met pillen en poeder werd gevonden.
De politie stelde proces-verbalen op van de aanhouding en bevindingen, waarna het Nederlands Forensisch Instituut de stoffen analyseerde en concludeerde dat deze MDMA en cocaïne bevatten, beide middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet. De verdediging verzocht het hof om een getuige te horen die verklaarde dat de drugs aan hem toebehoorden, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen omdat de verklaring onvoldoende betrouwbaar werd geacht.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof het horen van de getuige niet noodzakelijk achtte en dat het bewijs van het bezit van de drugs voldoende was gebaseerd op de bewijsmiddelen. Het cassatieberoep faalde en het arrest werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van bezit van cocaïne en MDMA door verdachte.