Conclusie
“mishandeling”en 2
“bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd”,in zaak B wegens “
mishandeling” en in zaak C (C.2) en D wegens
“eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, heeft afgewezen.
tweede middelklaagt over de motivering van de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek om getuige [getuige] te horen.
derde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde. In het bijzonder klaagt het middel dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte gericht was op het bedreigen van ‘een andere bewoner’.
: “(...) Ik hoorde dat hij zei dat hij mij kapot zou maken en dat hij daarna de zaak in de fik zou steken.
: ik zag dat onder het rechteroor van aangever [betrokkene 1] zich 2 rode strepen bevonden. Kennelijk waren deze verwondingen opgelopen doordat de verdachte [verdachte] hem bij zijn nek vast had gepakt; ik zag dat aan de linker bovenzijde van het hoofd van aangever [betrokkene 1] een blauwe gezwollen plek zat.
de forse man [betrokkene 1] met twee handen om zijn nek vast had.”
Ik steek de boel in de fik. Fikkie fikkie wat zal het hier goed branden”. Door buiten voor een opvanghuis waar meer personen wonen op deze wijze met brandstichting te dreigen, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [getuige] (een bewoner van dat opvanghuis) de redelijke vrees kon ontstaan dat brand zou worden gesticht.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.