Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2014. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie voorgesteld, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadsheren van de Hoge Raad hebben de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden.
Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, is geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad heeft daarom het beroep verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 8 september 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is verworpen zonder nadere motivering.