Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat de afwijzende beslissing van het hof op het verzoek van de verdediging om de getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te horen, onbegrijpelijk is.
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens diefstal van een geldbedrag uit de tas van een ander, waarbij hij het geld zonder voorafgaande toestemming wegnam terwijl het slachtoffer sliep. Verdachte stelde dat hij het geld tegoed had en dat het slachtoffer impliciet toestemming had gegeven om het geld te behouden, en verzocht om het horen van drie getuigen die dit zouden bevestigen.
Het hof wees het verzoek tot het horen van deze getuigen af omdat hun verklaringen niet relevant waren voor de beoordeling van het ten laste gelegde feit. De Hoge Raad bevestigt deze beslissing en oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de getuigenverklaringen niet van belang waren voor de strafzaak.
Verder verwierp de Hoge Raad het verweer dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak, omdat een civielrechtelijke aanspraak geen recht geeft tot eigenmachtige toe-eigening. De bewezenverklaring van diefstal met wederrechtelijke toe-eigening wordt daarmee bevestigd en het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens diefstal met wederrechtelijke toe-eigening wordt bevestigd.