ECLI:NL:HR:2015:2485

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2015
Publicatiedatum
10 september 2015
Zaaknummer
14/05857
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 26 lid 2 AWR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet-afgedragen loonheffingen bevestigd door Hoge Raad

Belanghebbende diende op 24 maart 2014 een aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen in, waarbij een bedrag van €6126 werd aangegeven, inclusief €459 aan pseudo-eindheffing hoog loon. Dit bedrag werd niet volledig afgedragen. Op 3 april 2014 maakte belanghebbende bezwaar tegen het bedrag van €459, nog voordat het bedrag was afgedragen.

De Inspecteur verklaarde het bezwaar op 20 mei 2014 niet-ontvankelijk omdat het bedrag niet was afgedragen. Vervolgens legde de Inspecteur op 23 mei 2014 een naheffingsaanslag op van €459 met een verzuimboete van €50. Belanghebbende maakte hiertegen geen bezwaar.

De Rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift van 3 april 2014 niet ontvankelijk was als bezwaar tegen de afdracht, maar dat het bezwaar mede werd geacht te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag. De Hoge Raad stelde echter dat het bezwaar niet ontvankelijk kon zijn tegen de naheffingsaanslag omdat deze nog niet was opgelegd op het moment van bezwaar en belanghebbende niet redelijkerwijs kon menen dat het besluit al was genomen.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en bevestigde de uitspraak op bezwaar. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet-afgedragen bedrag aan loonheffingen is niet ontvankelijk verklaard en het beroep in cassatie is gegrond verklaard.

Uitspraak

11 september 2015
nr. 14/05857
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 26 januari 2015, nr. SGR 14/04443, op het beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) betreffende de aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak maart 2014. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft de aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffingen) over het tijdvak maart 2014 ingediend op 24 maart 2014. Het aangegeven bedrag van € 6126, waarvan € 459 aan pseudo-eindheffing hoog loon, heeft belanghebbende niet gelijktijdig afgedragen.
2.1.2.
Bij brief van 3 april 2014, bij de Inspecteur ingekomen op 4 april 2014, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het onder 2.1.1 bedoelde bedrag van € 459.
2.1.3.
Belanghebbende heeft op 23 april 2014 een bedrag van € 5667 (€ 6126 minus € 459) aan loonheffingen afgedragen over het tijdvak maart 2014.
2.1.4.
Bij uitspraak van 20 mei 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat meerbedoeld bedrag van € 459 niet was afgedragen. Daarbij is belanghebbende gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de nog op te leggen naheffingsaanslag.
2.1.5.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 mei 2014 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 459 en een verzuimboete van € 50. Tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.
2.2.1.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 3 april 2014 niet als ontvankelijk bezwaar tegen afdracht op aangifte kan worden aangemerkt, aangezien deze brief dateert van vóór de afdracht van het bedrag aan pseudo-eindheffing hoog loon.
2.2.2.
De Rechtbank heeft verder overwogen dat de brief van 3 april 2014 mede wordt geacht te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag. Weliswaar heeft de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangen voordat de naheffingsaanslag is opgelegd, maar het was ten tijde van het maken van bezwaar voor zowel belanghebbende als de Inspecteur duidelijk dat belanghebbende het niet eens was met de pseudo-eindheffing hoog loon, aldus de Rechtbank. De Rechtbank overweegt voorts dat bekend was dat een naheffingsaanslag voor het niet (tijdig) afgedragen bedrag zou volgen, dat belanghebbende op het moment van indiening van het bezwaar dan ook een belang heeft en dat het bezwaar derhalve ontvankelijk is.
2.3.1.
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank met een rechtsklacht.
2.3.2.
Op grond van artikel 6:10, lid 1, Awb blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur bezwaarschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaar reeds was genomen, of indien het besluit toen nog niet tot stand was gekomen maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. De omstandigheid dat het aangegeven maar niet afgedragen bedrag aan belasting is nageheven, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat het besluit om de belasting na te heffen reeds tot stand is gekomen ten tijde van het maken van bezwaar tegen het aangegeven bedrag, noch dat een belanghebbende dit redelijkerwijs kan menen. Andere omstandigheden die deze gevolgtrekking in het onderhavige geval wel zouden kunnen dragen, zijn niet door de Rechtbank vastgesteld en de gedingstukken bevatten ook geen aanwijzingen dat zulke omstandigheden zich hebben voorgedaan (zie HR 30 januari 2015, nr. 14/03580, ECLI:NL:HR:2015:142, BNB 2015/69). Het door belanghebbende op 3 april 2014 ingediende bezwaarschrift kan daarom niet worden aangemerkt als een ontvankelijk bezwaarschrift tegen de op 23 mei 2014 opgelegde naheffingsaanslag.
2.3.3.
Gelet op het overwogene in 2.3.2 slaagt het middel. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en
bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2015.