Belanghebbende diende op 19 april 2013 een aangifte loonheffingen in voor maart 2013, waarbij een bedrag van €54.884 werd aangegeven maar niet werd afgedragen. Op 2 mei 2013 maakte belanghebbende bezwaar tegen het aangegeven bedrag. De Inspecteur legde op 24 mei 2013 een naheffingsaanslag en een verzuimboete op, die belanghebbende dezelfde dag betaalde.
De Inspecteur verklaarde het bezwaar op 5 juni 2013 niet-ontvankelijk en wees belanghebbende op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de naheffingsaanslag, wat niet werd gedaan. Het Hof oordeelde dat het bezwaar niet ontvankelijk was voor zover het gericht was tegen de afdracht op aangifte, maar meende dat het bezwaar mede was gericht tegen de naheffingsaanslag, omdat het bezwaar was ingediend voordat de naheffingsaanslag was opgelegd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Volgens de Hoge Raad kan een bezwaar tegen een niet-afgedragen bedrag op aangifte niet worden geacht mede te zijn gericht tegen een later opgelegde naheffingsaanslag, tenzij het besluit ten tijde van het bezwaar al was genomen of de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was. Dit was hier niet vastgesteld. De Hoge Raad wijst het beroep in cassatie toe en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.