Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 3 februari 2015, nr. SGR 14/7965 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 17 november 2014
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag behandeld. Het betrof een verzet tegen een eerdere uitspraak in een belastingrechtelijke bestuursrechtzaak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2015. Hiermee kwam een einde aan de procedure in cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.