Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van De
Rechtbank Den Haagvan 20 maart 2015, nr. SGR 14/3505 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 3 december 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brieven gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling.
Het griffierecht is niet voldaan binnen de gestelde termijn. Vervolgens is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht, maar hier is geen gebruik van gemaakt.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.