Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
10 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld wegens het opzettelijk overtreden van de meldplicht van ongebruikelijke transacties (Wet MOT). Het hof had geoordeeld dat verdachte niet had voldaan aan de meldplicht omdat hij niet zowel objectieve als subjectieve indicatoren had vermeld.
De Hoge Raad stelt vast dat noch de tekst van de Wet MOT, noch de wetsgeschiedenis een verplichting inhoudt om naast objectieve indicatoren ook subjectieve indicatoren te melden. De strekking van de wet wordt ook al vervuld indien alleen objectieve indicatoren worden vermeld. Het oordeel van het hof dat het ontbreken van subjectieve indicatoren een overtreding oplevert, berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking heeft op de overtreding van art. 9 Wet Pro MOT met betrekking tot het niet melden van subjectieve indicatoren en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het oordeelde dat melding van subjectieve indicatoren verplicht is en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.