Conclusie
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn medeverdachte(n) grote geldbedragen, te weten
personeelvan financiële instellingen, dat immers niet
beroeps- of bedrijfsmatigfinanciële diensten verleent, maar in dienstverband. De meldingsplicht richt zich tot de
instelling.” [7]
voorbeeldkan gedacht worden aan de volgende objectieve indicatoren: contante transacties in vreemde valuta, contante transacties waarbij geld ongeteld wordt aangeleverd en transacties waarbij identificatieproblemen rijzen. Indien aan een nader te bepalen aantal van dergelijke indicatoren is voldaan, is de transactie evident ongebruikelijk.
voorbeeldvan een subjectieve indicator is een transactie die a-typisch is voor een bepaalde cliënt (niet past in het gebruikelijke transactiepatroon van die cliënt) of een contante transactie waarbij geld in ongewone verpakking wordt aangeleverd.” [11]
II. OBJECTIEVE INDICATOREN
eerste middelricht zijn pijlen op de bewezenverklaring van feit 4, het
tweede middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van feit 3, tweede gedeelte, voor zover verzoeker beroeps- of bedrijfsmatig diensten zou hebben verleend. Volgens de steller van de middelen stond verzoeker slechts in dienstverband tot [medeverdachte 1] en heeft het Hof ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten aan zijn oordeel dat verzoeker zelf in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 9 Wet Pro MOT (oud) de onjuiste vooronderstelling ten grondslag gelegd dat deze bepaling zich niet alleen richt tot de financieel dienstverlenende instelling maar ook tot medewerkers daarvan zoals verzoeker. Aldus heeft het Hof met betrekking tot beide feiten ten onrechte bewezenverklaard dat verzoeker een ingevolge de Wet MOT (oud) op hem rustende meldingsplicht heeft geschonden terwijl hij een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende, in plaats van hem van de tenlastegelegde feiten 3, tweede gedeelte, en 4 vrij te spreken.
werknemer).
alshet Openbaar Ministerie ervoor koos een natuurlijk persoon te vervolgen, het dit in de tenlastelegging door een art. 51 Sr Pro-constructie tot uitdrukking moest brengen.
eerste middelklaagt verder dat het Hof heeft miskend dat de in de tenlastelegging vermelde subjectieve indicatoren waren gebaseerd op de Regeling van 20 maart 2001, welke regeling met ingang van 1 november 2005 is ingetrokken en vervangen door de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005. Nu de bij feit 4 in de tenlastelegging genoemde transacties dateren van maart 2006 en later, kan het oordeel van het Hof dat verzoeker de betreffende subjectieve indicatoren niet heeft vermeld en aldus in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 9 Wet Pro MOT ook om die reden niet in stand blijven.
eerste middelnog met betrekking tot de 7 transacties (waarop feit 4 ziet) wordt geklaagd dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig is nu een verrichte transactie niet tegelijkertijd niet gemeld en niet juist en/of niet volledig gemeld kan zijn, geldt dat deze klacht faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Immers, bewezenverklaard is dat verzoeker ter zake van feit 4 de betreffende zeven transacties niet volledig heeft gemeld
en/ofniet alle gegevens betreffende deze verrichte transacties niet juist en/of niet volledig heeft gemeld.
derde middel, mede bezien in samenhang met de toelichting daarop, komt op tegen het eerste gedeelte van het onder 3 bewezenverklaarde en klaagt dat het Hof heeft bewezen verklaard dat verzoeker tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) een zestal formulieren, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt doordat de betrokken MOT-meldingen valselijk zijn aangemaakt op naam van [betrokkene 1] en op de transactieformulieren telkens valselijk is vermeld dat [betrokkene 1] de cliënt was, en dat het Hof aldus heeft geoordeeld dat verzoeker valsheid in geschrift medegepleegd heeft. Het betreft de transacties van 19 september 2005 (transactienummer ZE2620), 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en 3 april 2006 (transactienummer ZE2864).
vermeldenvan de naam [betrokkene 1] als cliënt op het
transactieformuliervan 7 november 2005. Volgens de bewijsvoering had verzoeker echter wel een aandeel in het valselijk
aanmakenvan de
MOT-meldingop naam van [betrokkene 1].
vierde middelkeert zich met een klacht tegen het onder 1 en met een klacht tegen het onder 2 bewezenverklaarde. Mede gezien de toelichting op het middel, komen deze klachten in zoverre met elkaar overeen dat zij beide aldus luiden dat het oordeel van het Hof dat de genoemde geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel onbegrijpelijk is en dat zowel het oordeel van het Hof dat sprake is van wetenschap als ’s Hofs oordeel dat verzoeker van medeplegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Voorts houden de klachten in dat het Hof niet de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van verzoeker dat het bewijs ontbreekt voor de herkomst van de gewisselde gelden uit misdrijf.
zelf begaanmisdrijf, welke gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door
eigen (grond)misdrijfverkregen voorwerp gericht karakter heeft. Met verwijzing naar HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 meen ik ervan te mogen uitgaan dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota blijkt dat door of namens verzoeker is aangevoerd dat de door hem als ‘medepleger’ gewisselde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf, terwijl in de bewijsvoering van het Hof als zijn niet onbegrijpelijk oordeel besloten ligt dat de geldbedragen niet afkomstig zijn uit een door verzoeker zelf begaan grondmisdrijf. Het kan er derhalve in cassatie voor worden gehouden dat de geldbedragen die verzoeker telkens onder zich had, niet uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat de aangescherpte motiveringseisen waarop hierboven is gewezen, in de voorliggende zaak niet van toepassing zijn [16] , en dat de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad in gevallen als de onderhavige omtrent het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’ ongewijzigd van kracht is gebleven. Voorts wijs ik erop dat, naar het Hof ook heeft overwogen, hier niet hoeft vast te staan “om welk grondmisdrijf het precies gaat en door wie dat waar en wanneer is begaan”. [17]
vijfde middelkeert zich met verschillende klachten tegen de onder 5 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
zesde middelbehelst de klacht dat de verdediging ter terechtzitting van het Hof heeft aangevoerd dat sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van art. 359a Sv en dat het Hof heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot de van dit uitdrukkelijk door verzoeker onderbouwde standpunt afwijkende beslissing.
zevende middelklaagt dat het Hof in strijd met art. 353 Sv Pro geen beslissing heeft genomen ten aanzien van de onder verzoeker inbeslaggenomen voorwerpen ter zake waarvan nog geen last tot teruggave was gegeven.