Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd op of omstreeks 9 januari 1996, met een gevangenisstraf van twee maanden. Het tenlastegelegde feit valt onder art. 311 Sr Pro, waarop een maximale gevangenisstraf van zes jaren staat.
In cassatie klaagde de verdachte dat de strafvordering was verjaard. De Hoge Raad stelde vast dat gedurende twaalf jaren voorafgaand aan de aanzegging in cassatie op 27 mei 2014 geen vervolging was verricht. Hierdoor was de verjaringstermijn van art. 70 Sr Pro verstreken en was het recht tot strafvordering vervallen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, behoudens het vonnis van de politierechter, en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Hiermee werd het beroep van de verdachte gegrond verklaard wegens verjaring.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens verjaring en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.