ECLI:NL:PHR:2015:1296

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2015
Publicatiedatum
23 juli 2015
Zaaknummer
14/01660
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 311 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring van het recht tot strafvordering bij diefstal met braak

De verdachte werd in 2002 bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak, gepleegd op 9 januari 1996 in Dinxperlo. Het feit betrof het wegnemen van een grote hoeveelheid sigaretten uit een tankstation. De verjaringstermijn voor dit misdrijf bedraagt twaalf jaren, ingaande de dag na het gepleegde feit.

De dagvaarding in eerste aanleg werd in mei 1996 uitgebracht, en de verdachte werd in juli 1996 bij verstek veroordeeld. Hoger beroep werd ingesteld vanuit detentie in september 2001, waarna het hof in februari 2002 bij verstek veroordeelde. De mededeling van het arrest aan de verdachte is niet aangetoond. In 2014 stelde de verdachte cassatie in. De Hoge Raad constateert dat tussen de laatste daad van vervolging (de betekening van de aanzegging in cassatie in mei 2014) en de voorgaande daden van vervolging meer dan twaalf jaren zijn verstreken.

De Hoge Raad oordeelt dat het recht tot strafvordering is vervallen wegens verjaring ex artikel 70 Sr Pro. De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Het middel van de verdachte slaagt en het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het het vonnis van de politierechter betreft. De Hoge Raad maakt geen gebruik van zijn bevoegdheid tot ambtshalve vernietiging.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.

Conclusie

Nr. 14/01660
Zitting: 26 mei 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte] , alias [verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 4 februari 2002 de verdachte wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en hebben mr. S.F.W. van ’t Hullenaar en mr. C.H.W. Janssen, beiden advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat het recht tot strafvordering op grond van het bepaalde in art. 70, eerste lid, onder 3º, Sr door verjaring is vervallen.
4. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 9 januari 1996, in de gemeente Dinxperlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een tankstation heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of shag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.”
5. Daarvan is bewezen verklaard dat:
“hij op 9 januari 1996, in de gemeente Dinxperlo, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een tankstation heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid sigaretten en/of shag, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak.”
6. Het hiervoor genoemde feit is strafbaar gesteld in art. 311, eerste lid, onder 4º en onder 5º, Sr. Dit feit is als misdrijf aangemerkt en is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Ingevolge art. 70, eerste lid, aanhef en onder 3°, Sr bedraagt de verjaringstermijn voor dit feit twaalf jaren, terwijl deze termijn ingevolge art. 71 Sr Pro aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
7. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 31 juli 1996 is op 20 mei 1996 uitgebracht en op 14 juni 1996 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(ii) De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 31 juli 1996 bij verstek veroordeeld.
(iii) De mededeling van de uitspraak van de politierechter is op 28 september 2001 in persoon aan de verdachte uitgereikt.
(iv) Op 28 september 2001 heeft de verdachte vanuit detentie door middel van een verklaring zoals bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
(v) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te Arnhem van 21 januari 2002 is op 4 december 2001 uitgebracht en op diezelfde datum uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2002 is de verdachte niet verschenen en is tegen hem verstek verleend.
(vii) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 4 februari 2002 veroordeeld.
(viii) De stukken van het geding houden niet in dat de mededeling van de uitspraak van het hof aan de verdachte is betekend. De raadsman van de verdachte (mr. Van ’t Hullenaar) heeft zich bij faxbericht van 7 augustus 2014 tot de rolraadsheer van de Hoge Raad gewend met onder meer het verzoek om toezending van de stukken die betrekking hebben op de betekening van de mededeling van de uitspraak van het hof. De strafgriffie van de Hoge Raad heeft vervolgens bij brief van 8 augustus 2014 en bij e-mailbericht van 26 augustus 2014 aan de strafgriffie van het hof gevraagd om nazending van deze stukken, aangezien deze stukken zich niet bevinden in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier. In reactie op dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van het hof bij e-mailbericht van 28 augustus 2014 medegedeeld dat de opgevraagde stukken zich niet bij het hof bevinden en dat de toenmalige voorzitter van het hof en de toenmalige griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof. Bij brief van 5 september 2014 is aan het hof gevraagd om een ondertekende schriftelijke verklaring van een toenmalige raadsheer van het hof of de huidige voorzitter van het hof, waarin wordt bevestigd dat de stukken in het ongerede zijn geraakt en niet meer kunnen worden aangeleverd. Uit de stukken volgt niet dat op dit verzoek is gereageerd door het hof. Ook heeft de strafgriffie van de Hoge Raad bij brief van 9 september 2014 aan de hoofd-advocaat-generaal bij het hof gevraagd om toezending van de stukken die betrekking hebben op de betekening van de mededeling van de uitspraak van het hof. Uit de stukken blijkt niet dat het openbaar ministerie op dit verzoek heeft gereageerd. Ten slotte heeft een gerechtssecretaris van de Hoge Raad bij brief van 9 december 2014 aan de raadsman van de verdachte bericht dat voornoemde stukken geen deel uitmaken van het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden en dat navraag bij het hof geen nadere stukken heeft opgeleverd.
(ix) Namens de verdachte is op 28 maart 2014 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
(x) De aanzegging in cassatie is op 27 mei 2014 tevergeefs aangeboden op het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte ([a-straat 1] in Arnhem). Voorts is deze aanzegging op 10 juni 2014 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte ( [b-straat] in Arnhem). Bovendien zijn op 19 juni 2014 een afschrift van de aanzegging en een kopie van de akte van uitreiking verzonden naar het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte. [1] Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staten SKDB blijkt dat de verdachte niet gedetineerd was en dat van hem geen GBA-adres bekend was. [2]
8. Art. 72, eerste lid, Sr bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit. Als een daad van vervolging in de zin van de genoemde bepaling is aan te merken een daad van of namens een justitiële autoriteit die erop gericht is tot een voor tenuitvoerlegging vatbare strafrechtelijke uitspraak te geraken. [3] Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het uitbrengen van de (appel)dagvaarding ter terechtzitting door het openbaar ministerie, de behandeling van de zaak op de terechtzitting, het veroordelend vonnis of arrest, de betekening van de verstekmededeling en de betekening van de aanzegging in cassatie. [4]
9. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twaalf jaren voorafgaand aan de laatste daad van vervolging, te weten de betekening van de aanzegging in cassatie op 27 mei 2014, enige daad van vervolging is verricht. Dit betekent dat de in art. 70, eerste lid, aanhef en onder 3°, Sr bepaalde termijn van verjaring van twaalf jaren is verstreken. Het recht tot strafvordering is ten aanzien van de onderhavige gekwalificeerde diefstal derhalve vervallen. De officier van justitie dient ter zake van het ten laste gelegde feit alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. [5]
10. Het middel slaagt.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze stukken zijn op 24 juni 2014 bij de Hoge Raad retour gekomen met de mededeling “retour afzender, naam onbekend op dit adres”.
2.De ID-staten SKDB op naam van [verdachte] van 26 augustus 2014, 24 juni 2014, 19 juni 2014, 3 juni 2014 en 26 mei 2014 vermelden helemaal geen adresgegevens van de verdachte. De ID-staten SKDB op naam van [verdachte] van 26 augustus 2014, 24 juni 2014, 19 juni 2014, 3 juni 2014 en 23 mei 2014 vermelden als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte [b-straat] in [plaats] , met 12 mei 2014 als datum registratie.
3.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014,
4.Zie voor een opsomming van voorbeelden van daden van vervolging: de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595), waarbij onder meer art. 72 Sr Pro is aangepast (Kamerstukken II 2004/05, 28 495, nr. 9, p. 10).
5.Vgl. HR 3 februari 2015, nr. 13/05737 (niet gepubliceerd), HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9115, HR 17 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0529 en HR 12 maart 2002, nr. 02283/00 (niet gepubliceerd).