7. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) De inleidende dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 31 juli 1996 is op 20 mei 1996 uitgebracht en op 14 juni 1996 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(ii) De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 31 juli 1996 bij verstek veroordeeld.
(iii) De mededeling van de uitspraak van de politierechter is op 28 september 2001 in persoon aan de verdachte uitgereikt.
(iv) Op 28 september 2001 heeft de verdachte vanuit detentie door middel van een verklaring zoals bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
(v) De dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te Arnhem van 21 januari 2002 is op 4 december 2001 uitgebracht en op diezelfde datum uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2002 is de verdachte niet verschenen en is tegen hem verstek verleend.
(vii) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 4 februari 2002 veroordeeld.
(viii) De stukken van het geding houden niet in dat de mededeling van de uitspraak van het hof aan de verdachte is betekend. De raadsman van de verdachte (mr. Van ’t Hullenaar) heeft zich bij faxbericht van 7 augustus 2014 tot de rolraadsheer van de Hoge Raad gewend met onder meer het verzoek om toezending van de stukken die betrekking hebben op de betekening van de mededeling van de uitspraak van het hof. De strafgriffie van de Hoge Raad heeft vervolgens bij brief van 8 augustus 2014 en bij e-mailbericht van 26 augustus 2014 aan de strafgriffie van het hof gevraagd om nazending van deze stukken, aangezien deze stukken zich niet bevinden in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier. In reactie op dit verzoek heeft een medewerker van de strafgriffie van het hof bij e-mailbericht van 28 augustus 2014 medegedeeld dat de opgevraagde stukken zich niet bij het hof bevinden en dat de toenmalige voorzitter van het hof en de toenmalige griffier niet meer werkzaam zijn bij het hof. Bij brief van 5 september 2014 is aan het hof gevraagd om een ondertekende schriftelijke verklaring van een toenmalige raadsheer van het hof of de huidige voorzitter van het hof, waarin wordt bevestigd dat de stukken in het ongerede zijn geraakt en niet meer kunnen worden aangeleverd. Uit de stukken volgt niet dat op dit verzoek is gereageerd door het hof. Ook heeft de strafgriffie van de Hoge Raad bij brief van 9 september 2014 aan de hoofd-advocaat-generaal bij het hof gevraagd om toezending van de stukken die betrekking hebben op de betekening van de mededeling van de uitspraak van het hof. Uit de stukken blijkt niet dat het openbaar ministerie op dit verzoek heeft gereageerd. Ten slotte heeft een gerechtssecretaris van de Hoge Raad bij brief van 9 december 2014 aan de raadsman van de verdachte bericht dat voornoemde stukken geen deel uitmaken van het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden en dat navraag bij het hof geen nadere stukken heeft opgeleverd.
(ix) Namens de verdachte is op 28 maart 2014 beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
(x) De aanzegging in cassatie is op 27 mei 2014 tevergeefs aangeboden op het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte ([a-straat 1] in Arnhem). Voorts is deze aanzegging op 10 juni 2014 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte ( [b-straat] in Arnhem). Bovendien zijn op 19 juni 2014 een afschrift van de aanzegging en een kopie van de akte van uitreiking verzonden naar het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte.Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staten SKDB blijkt dat de verdachte niet gedetineerd was en dat van hem geen GBA-adres bekend was.