Conclusie
middelbehelst de klacht dat het recht tot strafvordering op grond van het bepaalde in art. 70, eerste lid, onder 3º, Sr door verjaring is vervallen.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd in 2002 bij verstek veroordeeld door het Gerechtshof Arnhem wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak, gepleegd op 9 januari 1996 in Dinxperlo. Het feit betrof het wegnemen van een grote hoeveelheid sigaretten uit een tankstation. De verjaringstermijn voor dit misdrijf bedraagt twaalf jaren, ingaande de dag na het gepleegde feit.
De dagvaarding in eerste aanleg werd in mei 1996 uitgebracht, en de verdachte werd in juli 1996 bij verstek veroordeeld. Hoger beroep werd ingesteld vanuit detentie in september 2001, waarna het hof in februari 2002 bij verstek veroordeelde. De mededeling van het arrest aan de verdachte is niet aangetoond. In 2014 stelde de verdachte cassatie in. De Hoge Raad constateert dat tussen de laatste daad van vervolging (de betekening van de aanzegging in cassatie in mei 2014) en de voorgaande daden van vervolging meer dan twaalf jaren zijn verstreken.
De Hoge Raad oordeelt dat het recht tot strafvordering is vervallen wegens verjaring ex artikel 70 Sr Pro. De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Het middel van de verdachte slaagt en het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het het vonnis van de politierechter betreft. De Hoge Raad maakt geen gebruik van zijn bevoegdheid tot ambtshalve vernietiging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.