Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Amsterdamvan 17 maart 2015, nr. AMS 13/3822 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 31 oktober 2013.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. Het betrof een verzetprocedure waarbij belanghebbende zich verzette tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 18 september 2015 in het openbaar uitgesproken door raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gronden.