Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
10 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden. In cassatie klaagt de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof werden ingezonden.
De Hoge Raad stelt vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase inderdaad is overschreden, mede omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een strafvermindering. De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat deze geen aanleiding geven tot vernietiging of nadere motivering.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf en vermindert deze tot 28 maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 10 februari 2015.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertig naar achtentwintig maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.